| Het kind in de wieg | ||
|
De stormwind boog de wilgen krom, |
![]() |
|
Het water treedt de woning in, met vreselijke kracht, en man en vrouw en kind tesaam, verdwijnen in de nacht. De morgen komt, de ochtendzon, beschijnt een grote plas, Waar gisteren nog menig dorp, en schone landschap was. Die dorpen zonken in de vloed, geen spoor wijst ze meer aan. Veel duizenden zijn met hun goed, in ene nacht vergaan. Niet één ontkwam in 't noodgetij, dat deze ellende schiep. Niet één? Wat drijft daarginds dan, op 't schuimend Hollands Diep. Een wieg en op die wieg een kat, ze springt maar heen en weer. Ze wil zich redden van het nat, dat opspringt keer op keer. |
Al schommelend drijft het wiegje voort, tot Dordrechts brede dijk. Daar wordt het rustig neergezet, nu zit het vast in 't slijk. De volkshoop daar tesaam vergaard, ze ziet het vreemd geval. Men trekt dus o zo spoedig daar, het wiegje aan de wal. Maar zie wat ligt er in die wieg, het is een hulpeloos kind. het slaapt maar door, die lieveling, net of de nacht begint. Het volk ontbloot eerbiedig 't hoofd, terwijl een vrouw daar zei: Gods Hand heeft ons dit kind gestuurd, ach geef het maar aan mij. Ze pakt het op en neemt het mee, wat was die vrouw toen rijk. En na die dag noemt iedereen, die plaats toen.... KINDERDIJK !!! |
|
|
ST.Elisabethvloed 18
november 1421 J.C. Kooiman (geb. te
Kinderdijk) |